donderdag, maart 23, 2006

post van een onbekende

Ik was verrast door de e-mail die ik van een onbekende kreeg. Of ik tips had om brussel te verkennen. Na enkele dagen mailde ik een to do list. Het kostte me moeite. Brussel vervaagt. Straatnamen schieten me niet meer te binnen, pleinen worden naamloos en bekende gezichten worden vage contouren. De beurs weet ik nog staan. Wordt het stilaan tijd om terug te keren?

Volgende week vrijdag woon ik net geen maand in Buenas Aires. Ik was van plan er 10 dagen te blijven. 10 dagen werden 30 dagen. 30 dagen zouden gemakkelijk 6 maanden kunnen worden. Ik deed er niet veel meer dan dat ik de voorbije 4 jaar in Brussel heb gedaan: rondgewandeld, gekeken en geklets.
Ik vond in BA een interessante aanmeerplaats en dacht dat ik er misschien wel een diepgaand gesprek zou kunnen aanknopen met een taalgenoot. Maar tevergeefs. Geen taalgenoot gezien, geen Vlaams gehoord. Over BA vertel ik later ongetwijfeld meer. Sta me toe te vertellen hoe ik er geraak ben. Het is verhaal van een 5000 km lange tocht waarin ik zwaar op de proef werd gesteld. Overtuigingskracht en zelfvertrouwen twee trouwe metgezellen werden en geduld en volharding me redden van wanhoop en uitputting.

Misschien herrinner je je nog dat ik in Punta Arenas kartonnen dozen bij elkaar had gezocht. Mijn spullen in die dozen had gestopt en voor 5 dollar naar Santiago in Chile had opgestuurd. Mijn rugzak werd een dagrugzak van niet meer dan 13 Liter. Tot de dag van vandaag was het een van de beste zetten uit mijn leven. Meer had ik immers niet nodig om snel te reizen. Ik stond op die manier bij wijze van spreken naakt langs de weg. Een rugzakje, een gitaar en een kaart van de Andes, ik telde de laatste schapen van vuurland net voor ik de laatste nacht onder Chileense hemel in slaap viel. Het mekkerde van liftersdromen in mijn kop. Ik werd wakker, hapte van een restje brood en stapte al dromend enkele kilometers langs de grote baan Punta Arenas uit. Niet meer dan een vage route had ik aan de hand van mijn kaart uitgestippeld. Ik was er van overtuigd dat een vaste route reizen eens zo moeilijk zou maken. maar goed op die manier kon dat laatste restje
verantwoordelijkheidszin rustig sterven. Vaag dacht ik van Punta Arenas naar Bariloche in Argentina te reizen en dan in enkele dagen naar Puerto Mont in Chile. En op die manier noordelijk naar Santiago.

Mijn duim ging voorzichtig de hoogte in bij elke wagen die passeerde. De mensen bleken vriendelijk. Ze wuivden maar stoppen deden ze niet. Ongetwijfeld zuchtte ik heel wat wolken bij elkaar en na een uurtje tevergeefs liften lachtte ik beduidend minder. Al een geluk dat de automobilisten vriendelijk bleven. Lachen ze naar me of lachen ze met me? Onzekerheid, verantwoordelijkheidszin en realiteitsbesef maanden me steeds luider aan om uit dit spelletje te stappen. Ik vloekte en toen twijfel aarzelde om de hele toch af te blazen, stopte er eindelijk een Chileense familie. Vader, moeder, zoon en dochter. "Waarheen vreemdeling?" klonk het vrijvertaald. "Zeg jij het maar, vriend". En ik zat al in de auto. Al de ogen op mij gericht. In een poging maar meteen het ijs te breken wierp ik een vraagje op. "Is het waar dat hier struisvogels rondlopen in de pampas?" risicovolle openingsvraag, ik geef het toe. Maar ik had geluk. De dochter was een liefhebster van mooie vogels. De eerste 10 minuten hebben we 20 struisvogels geteld. Daarna boog de vader het gesprek om. Genoeg gevogeld: "wat brengt jou hier?". Ik kreeg niet echt de kans om uit te weiden. Vier mensen vuurden vragen af. Ik bleef lachend overeind en behaagde mijn vuurpeloton. Ik bezocht grootouders, buren van grootouders en ging op de foto met de hele gemeenschap.
's avonds zetten ze me af aan de Argentijnse grens. Die avond belandde ik in Rio Gallegos. Ik had nog nooit van die stad gehoord en bij nader inzien stond Gallegos niet op mijn Andeskaart. Het kostte moeite om een slaapplaats te vinden, maar zoals dat vaker gebeurd is lang wachten eerder een zegen dan een vloek.

Ik kuierde tegen valavond in het avondrood langs de autostrade. Wagens passeerden, vrachtwagens groetten. Ik denk dat ik één aan het worden was met het asfalt en haar bewoners. In de verte hoorde ik een tijger brullen en een verroest orkest symfonisch spelen. Circo del Sol was in de stad. De dag verdween steeds verder aan de horizon en nog steeds zonder slaapplaats rees het plan om in een woonwagen te overnachten. De wondermooie vrouw aan de kassa zei dat ze een vriend had die misschien wel iets wist. Ze floot eens tussen het wondermooie spleetje tussen haar voorste tanden en riep een onverstaanbare naam. "De vriend was acrobaat", zei ze. Hij kwam op zijn handen aangewandeld. Met zijn gespierde torso ontweek hij moeiteloos alle denkbare obstakels op de weg. Hij kwam voor me staan. Ik keek recht in zijn bilspleet en zei vrij vertaald: "alles goed daar? misschien kan je me helpen?" De bilspleet bleef stil, gaf me een hand en zei dat hij acrobaat was. Het gesprek ging niet echt vooruit. Zijn wondermooie vriendin kwam er bij. Of hij een slaapplaats wist? Ah ja, hier op het einde van de straat is een goedkoop hotel, boven de Almacen. Vraag maar naar Pedro. zogezegd zo gedaan. Ik gaf de bilspleet een hand en de wondermooie dame een glimlach. Circusartiesten mijmerde ik tegen een rode zonsondergang. Het zijn mensen naar mijn hart.

De volgende morgen wandelde ik om 06 00u de parking op van het plaatselijke tankstation. Er heerste die gezellige truckersdrukte. Mannen lachten, pinkten oogjes, lachten tanden bloot en trokken grote ogen toen ze hoorden dat ik uit België kwam. Uiteindelijk klom ik aan boord van de Dom Patagonia: een 24 meter lange oplegger die wagens vervoerd van Buenas Aires naar Commodore Rivadavia en van daar naar El Calafate. Aan boord twee truckers: Hugo, den dikke en David, den dunne. Ze gingen naar El Calafate en later die week naar Buenas Aires. Ik schudde de hand en verzekerde dat El Calafate ver genoeg was. We deelden maté, zoutkoekjes en keuvelden over het weer. Ze gaven me de bijnaam El Loco. Tussen Rio Gallegos en Bariloche groeide er iets moois tussen Hugo, David en mezelf. We werden even vrienden. We deelden de cockpit. Leefden in elkaars stank en aten uit dezelfde stoofpot. Zo met die twee kerels reed ik na een weekje alles delen Buenas Aires binnen. Argentina zit voorgoed in mijn hart. Hugo en David ik doopte ze Fangio en Menochio zal ik nooit vergeten. Het zijn twee gouden harten altijd onderweg.