donderdag, maart 23, 2006

blaat het niet dan schaapt het niet

Gisteren heb ik schapen geteld en vandaag was ik op zoek naar kartonnen dozen. Dat klinkt niet meteen avontuurlijk of spectaculair, maar zo nu en dan moet een mens op reis zich reorganiseren. Rust en cretief denken gaan dan hand in hand.
De schapen waarover sprake, zijn de schapen op Tierra del Fuego. Gisteren was ik daar, op het einde van de wereld. Het was er verlaten, bar en nijdig koud.
Het is er ook lichtjes geweldig. Je kan er eindeloos kijken en de kans is groot dat je schapen ziet. Er zijn er twee voor elke inwoner van vuurland. Ze zijn met 30 000 duizend die blatende hoopjes wol.

Ik lifte mijn weg naar het uiterste zuiden. Liften valt er niet mee. Maar als je zoals ik een liefde hebt ontwikkeld voor alles wat groen is, vliegt of blaat, dan is het een liftersparadijs. Auto s rijden er nauwelijks maar vogels, eenden, guanoco 's en vossen zie je overal. Een auto passeert gemiddeld eens elke vier uur. Dat schrikt af, maar hoeft dat zeker niet te doen. Als er eentje langs rijdt is de kans dat je meekan heel groot. Ik had geluk: het kostte me maar enkele dagen.

Tiera del fuego kreeg zijn naam van Engelse pioniers die vanop hun schepen vuur zagen. Ze waren enigsins verwonderd over de aanwezigheid van mensen. De laatste Ona indigena vrouw stierf drie jaar geleden, las ik in een reisgids. Ik mijmerde over hoe deze mensen zich aan de barre omstandigheden zouden hebben aangepast. Ik zat aan mijn kampvuur en nipte van mijn thee. Het was windstil, ik had geluk.

Twee liften later reed ik in het laadruim van een pick-up Cameron binnen. Cameron is een Estancia in het westen van Vuurland. Het staat op de meeste kaarten, en terecht. In oppervlakte is het landgoed bijna even groot als België. Van ver hoorde ik schapen blaten en gaucho s, die echte Chileense cowboys, reden af en aan op zwarte paarden. Er heerste in deze nederzetting een fascinerende drukte. Een bijenkorf van schapen. Eens uitgestapt kreeg ik zicht op de activiteit; scheertijd. De schapen werden uitgekleed. Mooi om de schapen tijdens het scheren in pieta houding te zien liggen in de armen van een driedubbelgespierde cowboy. Ze blaten niet, ze schapen alleen veel. Ik keek ernaar en prees me gelukkig dat ik net in deze tijd van het jaar hier belandde.

Ik raakte in de gemeenschappelijke keuken aan de praat met Arturo. Een oude zeebonk, blauw getatoeerd en verzilt. Hij bezong de vrije liefde en herinnerde dat hij had aangemeerd in Oslo en al neukend zijn weggebaand naar zwitserland. Arturo was bronstig als een hengst. Hij vond het jammer dat in Cameron slecht vijf vrouwen woonden voor 25 mannen. Hij had ze beslist allemaal bereden. Tegenwoordig kookt Arturo voor de gemeenschap. Zijn specialiteit is schapenvlees met brood. Heerlijk, zo een buffet a volonté: vers brood, verse melk en vers schapenvlees. Samen met Arturo het vlees keuren, vulde die avond met smakelijke uitweidingen over het leven in Cameron.

Zoals gezegd zocht ik vandaag een kartonnen doos. Sinds lenneke weg is, leef ik in mijn eigen wereld: een stad ommuurd met kartonnen dozen. Een kartonnen doos had ik nodig om wat spullen naar Santiago te zenden. Het maakt mijn rugzak lichter en ik wordt een pak mobieler. Binnen enkele weken hoop ik zelf ook in Santiago aan te komen.