vrijdag, mei 26, 2006

Madam fluistermakadam

Zuid-Amerika was nooit dichter bij dan vandaag. Ik sluit gewoon mijn ogen en ik zie het. De tocht over de oceaan was nooit eenvoudiger dan vandaag. Een beetje ooggeknipper en ik ben daar. Dat is flitsende eenvoud. Je vraagt me soms of ik al terug ben. Ik knipper met mijn ogen en ik besluit dan iets in de zin van “Nee, vaak ben ik in gedachten nog ginder”. “Ginder” vraag je dan, waar is dat. Ik weet het niet, ergens onderweg geloof ik, daar!

Daarstraks zat ik in een typisch Brussels café aan de bar. Ik bezong de lokroep van het asfalt en het geconstateerde feit dat ik tot rust kom in bussen, treinen en transitzones. Je stelde me die avond heel wat lastige vragen. De lokroep van het asfalt, het stille verleidelijke spreken van fluistermakadam vond je iets zeer fascinerends. Ik legde je uit dat het momenten zijn dat ik contact maak met de grote stroom van de verandering van alle dingen. Je vroeg of het te maken had met de vergankelijkheid die in de metafoor van een bus of een trein tastbaar aanwezig was. Ik zei je dat je het begrepen had. Soms kan een voorbijrijdende auto me al in een dromerige staat van onderwegzijn doen belanden. Gewoon uit het niets naar het niets.

Ik vertelde je die avond over een experiment met twee appelsienen. Ik droeg je op om twee appelsienen te kopen en ze op straat uit te delen aan twee willekeurig gekozen personen. De appelsienen zitten in een plastieken zakje waarin je een briefje met instructies hebt achtergelaten. “Ik ben een appelsien, je haat me en elke dag wil ik dat je al je frustraties op me uitwerkt.” Staat er op het briefje bij de ene appelsien. “Ik ben een appelsien, je houdt van me als was ik je kind, elke dag overlaat je me met kusjes en strelingen”. Schreef je op het kaartje bij de andere appelsien. Vertel de personen dat je ze binnen 5 dagen op exact dezelfde plek weer zal opwachten.

Enkele dagen later zit ik van op een bankje in het park te kijken hoe je de twee willekeurige personen de hand schud. Vanachter mijn krant zie ik dat je proefpersonen de appelsienen schillen. De ene was blij dat hij van zijn rotding verlost was, de andere had moeite om zijn kleine kind af te staan. Je dacht dat er een smaakverschil zou zijn en ik las op je gezicht hoe de geliefkoosde appelsien je deed lachen. De andere spuwde je zuur op de grond. Ik wist zeker dat je me niet zou geloven! Is reizen echt niet moeilijker dan dat?

Je stuurde me die avond een berichtje. Of ik daar iets mee bedoelde met dat experiment? Of ik misschien zin had om later die avond iets te gaan drinken?

donderdag, maart 23, 2006

Het zwarte eiland

Ik dacht dat het werkelijk voor de kust lag, dat eiland. Ik geloofde dat de getijden hier een geheim gevangen hielden en dat een eiland alleen in open zee te vinden was. Uren tuurde ik over dit eindeloze water, luisterde naar haar stem, sprak en fluisterde, maar hoorde niets dan een overdonderende stilte. Ik gooide stenen in het water alsof ik haar pijn kon doen, haar uit haar schelp kon lokken, maar er gebeurde niets. De stenen verdwenen zoals gedachten verdwijnen in de stroom van gedachten of ideeen opgaan in de oceaan van herinneringen en toevalligheden.

Het zwarte eiland bestaat niet. Het bestaat in mijn gedachten. Voor mij is Isla Negra de dumpplaats voor dwaze ideeen, de afvalberg voor fouten en gebreken. De ervaring leert me dat ik er af en toe naar terug zal keren. Met de boot, en de tijd als immer op tijd komende veerman. Ik weet niet wanneer ik terugga, vertrek of terugkom. Maar ik weet nu dat ik hier op zoek was naar mijn duistere gedachten, mijn fouten en mijn stoutste dromen. Twee weken zei de veerman en ik bleef geen dag langer.

De laatste weken was ik voor jou afwezig. Ik dwaalde rond in de wouden van mijn zwarte eiland. Hoorde er schimmige gedaanten, zag er wezens met het gezicht van Maarten de schrijver, Maarten de natuursportgids, Maarten de communicatieverantwoordelijke, Maarten de dromer, Maarten de verantwoordelijke vader, Maarten de fantast en leugenaar, van Maarten... met elk van hen had ik een gesprek, op de rotsen, rond een vuur, in de bergen, onder een boom. de oceaan immer aanwezig. Het was leven op de rand, op het einde van mijn gedachten, in het woud waar de bomen versteend zijn. Daar waar dromen opborrelen, openbarsten en de neerslag weer op aarde valt. Mijn overheersend gevoel tijdens die gesprekken was angst. Het was moeilijk om elk van de partners in de ogen te kijken. Maar alle ogen heb ik tot op de bodem leeggekeken. Ik heb mijn toekomst gezien, mijn angsten in het gezicht uitgedaagd en ze uitgenodigd om me voor de rest van mijn leven op te jagen. Als een volleerd jager, vil ik de angsten van hun luizige pels en huld me onder dronken drinkgelach in steeds een andere avondpij. In het nieuwe morgenrood zal ik lachen om het beleefde moment. Angsten vinden hun dood in het realiseren van een droom.

Uren heben we ge
feest op het eiland. We werden dronken, rookten ons naar de sterren, vielen en lagen op de rotsen in het deinende zonlicht. We zwommen naakt in de door de volle maan verlichtte oceaan, we deelden het bed, we vochten en vielen huilend in elkaars armen. Ik heb ze een voor een gevonden, en ze weten dat ik ze een voor een kom vermoorden. Van liefde naar haat en weer terug.

Na een tijd vond ik jou op het eiland. Mijn grootste angst maar ook mijn grootste droom. Hoe kon het dat je zolang onzichtbaar bleef. Dagenlang vroeg ik het me af. Ik zag je niet want je was overal. Zoals de onzichtbare oceaan op het einde van de malacon. Je hoort ze, je voelt ze in de lucht en je ruikt haar aanwezigheid. Maar ze blijft voor je oog verborgen. Totdat je weet dat alles wat je ziet en voelt voortkomt uit de oceaan, uit jou. De avond dat ik het laatste avondmaal nuttigde met al mijn gedaanten zochten we na enkele flessen champagne en te veel rode wijn naar een vrouw op het eiland. We waren stomdronken en bronstig als een stier in een lentewei. We vonden er geen enkele. Maarten de dromer nam dan maar het voortouw. Hij beschreef de vrouw van zijn dromen. Iedereen muisstil terwijl iedereen nog stommer dronken werd. We werden verliefd en bleven het.

Ik kijk vandaag uit naar jou. Ik zoek je ik focus mijn verrekijker. De veerman zegt dat ik de boot moet verlaten. Hij lacht om mijn enthousiaste afwezige blik. Hij is vriendelijk, grijs en wijs. Hij fluistert dat tijd niet echt is en dat zodoende de breuklijn tussen deze wereld en de eeuwigheid, tussen jou en mij een illusie is. Ik zeg hem dat de wereld op elk moment perfect is. Hij lacht, ik lach. De wijsheid die een wijze probeert te communiceren klinkt onvermijdelijk dwaas.

post van een onbekende

Ik was verrast door de e-mail die ik van een onbekende kreeg. Of ik tips had om brussel te verkennen. Na enkele dagen mailde ik een to do list. Het kostte me moeite. Brussel vervaagt. Straatnamen schieten me niet meer te binnen, pleinen worden naamloos en bekende gezichten worden vage contouren. De beurs weet ik nog staan. Wordt het stilaan tijd om terug te keren?

Volgende week vrijdag woon ik net geen maand in Buenas Aires. Ik was van plan er 10 dagen te blijven. 10 dagen werden 30 dagen. 30 dagen zouden gemakkelijk 6 maanden kunnen worden. Ik deed er niet veel meer dan dat ik de voorbije 4 jaar in Brussel heb gedaan: rondgewandeld, gekeken en geklets.
Ik vond in BA een interessante aanmeerplaats en dacht dat ik er misschien wel een diepgaand gesprek zou kunnen aanknopen met een taalgenoot. Maar tevergeefs. Geen taalgenoot gezien, geen Vlaams gehoord. Over BA vertel ik later ongetwijfeld meer. Sta me toe te vertellen hoe ik er geraak ben. Het is verhaal van een 5000 km lange tocht waarin ik zwaar op de proef werd gesteld. Overtuigingskracht en zelfvertrouwen twee trouwe metgezellen werden en geduld en volharding me redden van wanhoop en uitputting.

Misschien herrinner je je nog dat ik in Punta Arenas kartonnen dozen bij elkaar had gezocht. Mijn spullen in die dozen had gestopt en voor 5 dollar naar Santiago in Chile had opgestuurd. Mijn rugzak werd een dagrugzak van niet meer dan 13 Liter. Tot de dag van vandaag was het een van de beste zetten uit mijn leven. Meer had ik immers niet nodig om snel te reizen. Ik stond op die manier bij wijze van spreken naakt langs de weg. Een rugzakje, een gitaar en een kaart van de Andes, ik telde de laatste schapen van vuurland net voor ik de laatste nacht onder Chileense hemel in slaap viel. Het mekkerde van liftersdromen in mijn kop. Ik werd wakker, hapte van een restje brood en stapte al dromend enkele kilometers langs de grote baan Punta Arenas uit. Niet meer dan een vage route had ik aan de hand van mijn kaart uitgestippeld. Ik was er van overtuigd dat een vaste route reizen eens zo moeilijk zou maken. maar goed op die manier kon dat laatste restje
verantwoordelijkheidszin rustig sterven. Vaag dacht ik van Punta Arenas naar Bariloche in Argentina te reizen en dan in enkele dagen naar Puerto Mont in Chile. En op die manier noordelijk naar Santiago.

Mijn duim ging voorzichtig de hoogte in bij elke wagen die passeerde. De mensen bleken vriendelijk. Ze wuivden maar stoppen deden ze niet. Ongetwijfeld zuchtte ik heel wat wolken bij elkaar en na een uurtje tevergeefs liften lachtte ik beduidend minder. Al een geluk dat de automobilisten vriendelijk bleven. Lachen ze naar me of lachen ze met me? Onzekerheid, verantwoordelijkheidszin en realiteitsbesef maanden me steeds luider aan om uit dit spelletje te stappen. Ik vloekte en toen twijfel aarzelde om de hele toch af te blazen, stopte er eindelijk een Chileense familie. Vader, moeder, zoon en dochter. "Waarheen vreemdeling?" klonk het vrijvertaald. "Zeg jij het maar, vriend". En ik zat al in de auto. Al de ogen op mij gericht. In een poging maar meteen het ijs te breken wierp ik een vraagje op. "Is het waar dat hier struisvogels rondlopen in de pampas?" risicovolle openingsvraag, ik geef het toe. Maar ik had geluk. De dochter was een liefhebster van mooie vogels. De eerste 10 minuten hebben we 20 struisvogels geteld. Daarna boog de vader het gesprek om. Genoeg gevogeld: "wat brengt jou hier?". Ik kreeg niet echt de kans om uit te weiden. Vier mensen vuurden vragen af. Ik bleef lachend overeind en behaagde mijn vuurpeloton. Ik bezocht grootouders, buren van grootouders en ging op de foto met de hele gemeenschap.
's avonds zetten ze me af aan de Argentijnse grens. Die avond belandde ik in Rio Gallegos. Ik had nog nooit van die stad gehoord en bij nader inzien stond Gallegos niet op mijn Andeskaart. Het kostte moeite om een slaapplaats te vinden, maar zoals dat vaker gebeurd is lang wachten eerder een zegen dan een vloek.

Ik kuierde tegen valavond in het avondrood langs de autostrade. Wagens passeerden, vrachtwagens groetten. Ik denk dat ik één aan het worden was met het asfalt en haar bewoners. In de verte hoorde ik een tijger brullen en een verroest orkest symfonisch spelen. Circo del Sol was in de stad. De dag verdween steeds verder aan de horizon en nog steeds zonder slaapplaats rees het plan om in een woonwagen te overnachten. De wondermooie vrouw aan de kassa zei dat ze een vriend had die misschien wel iets wist. Ze floot eens tussen het wondermooie spleetje tussen haar voorste tanden en riep een onverstaanbare naam. "De vriend was acrobaat", zei ze. Hij kwam op zijn handen aangewandeld. Met zijn gespierde torso ontweek hij moeiteloos alle denkbare obstakels op de weg. Hij kwam voor me staan. Ik keek recht in zijn bilspleet en zei vrij vertaald: "alles goed daar? misschien kan je me helpen?" De bilspleet bleef stil, gaf me een hand en zei dat hij acrobaat was. Het gesprek ging niet echt vooruit. Zijn wondermooie vriendin kwam er bij. Of hij een slaapplaats wist? Ah ja, hier op het einde van de straat is een goedkoop hotel, boven de Almacen. Vraag maar naar Pedro. zogezegd zo gedaan. Ik gaf de bilspleet een hand en de wondermooie dame een glimlach. Circusartiesten mijmerde ik tegen een rode zonsondergang. Het zijn mensen naar mijn hart.

De volgende morgen wandelde ik om 06 00u de parking op van het plaatselijke tankstation. Er heerste die gezellige truckersdrukte. Mannen lachten, pinkten oogjes, lachten tanden bloot en trokken grote ogen toen ze hoorden dat ik uit België kwam. Uiteindelijk klom ik aan boord van de Dom Patagonia: een 24 meter lange oplegger die wagens vervoerd van Buenas Aires naar Commodore Rivadavia en van daar naar El Calafate. Aan boord twee truckers: Hugo, den dikke en David, den dunne. Ze gingen naar El Calafate en later die week naar Buenas Aires. Ik schudde de hand en verzekerde dat El Calafate ver genoeg was. We deelden maté, zoutkoekjes en keuvelden over het weer. Ze gaven me de bijnaam El Loco. Tussen Rio Gallegos en Bariloche groeide er iets moois tussen Hugo, David en mezelf. We werden even vrienden. We deelden de cockpit. Leefden in elkaars stank en aten uit dezelfde stoofpot. Zo met die twee kerels reed ik na een weekje alles delen Buenas Aires binnen. Argentina zit voorgoed in mijn hart. Hugo en David ik doopte ze Fangio en Menochio zal ik nooit vergeten. Het zijn twee gouden harten altijd onderweg.

blaat het niet dan schaapt het niet

Gisteren heb ik schapen geteld en vandaag was ik op zoek naar kartonnen dozen. Dat klinkt niet meteen avontuurlijk of spectaculair, maar zo nu en dan moet een mens op reis zich reorganiseren. Rust en cretief denken gaan dan hand in hand.
De schapen waarover sprake, zijn de schapen op Tierra del Fuego. Gisteren was ik daar, op het einde van de wereld. Het was er verlaten, bar en nijdig koud.
Het is er ook lichtjes geweldig. Je kan er eindeloos kijken en de kans is groot dat je schapen ziet. Er zijn er twee voor elke inwoner van vuurland. Ze zijn met 30 000 duizend die blatende hoopjes wol.

Ik lifte mijn weg naar het uiterste zuiden. Liften valt er niet mee. Maar als je zoals ik een liefde hebt ontwikkeld voor alles wat groen is, vliegt of blaat, dan is het een liftersparadijs. Auto s rijden er nauwelijks maar vogels, eenden, guanoco 's en vossen zie je overal. Een auto passeert gemiddeld eens elke vier uur. Dat schrikt af, maar hoeft dat zeker niet te doen. Als er eentje langs rijdt is de kans dat je meekan heel groot. Ik had geluk: het kostte me maar enkele dagen.

Tiera del fuego kreeg zijn naam van Engelse pioniers die vanop hun schepen vuur zagen. Ze waren enigsins verwonderd over de aanwezigheid van mensen. De laatste Ona indigena vrouw stierf drie jaar geleden, las ik in een reisgids. Ik mijmerde over hoe deze mensen zich aan de barre omstandigheden zouden hebben aangepast. Ik zat aan mijn kampvuur en nipte van mijn thee. Het was windstil, ik had geluk.

Twee liften later reed ik in het laadruim van een pick-up Cameron binnen. Cameron is een Estancia in het westen van Vuurland. Het staat op de meeste kaarten, en terecht. In oppervlakte is het landgoed bijna even groot als België. Van ver hoorde ik schapen blaten en gaucho s, die echte Chileense cowboys, reden af en aan op zwarte paarden. Er heerste in deze nederzetting een fascinerende drukte. Een bijenkorf van schapen. Eens uitgestapt kreeg ik zicht op de activiteit; scheertijd. De schapen werden uitgekleed. Mooi om de schapen tijdens het scheren in pieta houding te zien liggen in de armen van een driedubbelgespierde cowboy. Ze blaten niet, ze schapen alleen veel. Ik keek ernaar en prees me gelukkig dat ik net in deze tijd van het jaar hier belandde.

Ik raakte in de gemeenschappelijke keuken aan de praat met Arturo. Een oude zeebonk, blauw getatoeerd en verzilt. Hij bezong de vrije liefde en herinnerde dat hij had aangemeerd in Oslo en al neukend zijn weggebaand naar zwitserland. Arturo was bronstig als een hengst. Hij vond het jammer dat in Cameron slecht vijf vrouwen woonden voor 25 mannen. Hij had ze beslist allemaal bereden. Tegenwoordig kookt Arturo voor de gemeenschap. Zijn specialiteit is schapenvlees met brood. Heerlijk, zo een buffet a volonté: vers brood, verse melk en vers schapenvlees. Samen met Arturo het vlees keuren, vulde die avond met smakelijke uitweidingen over het leven in Cameron.

Zoals gezegd zocht ik vandaag een kartonnen doos. Sinds lenneke weg is, leef ik in mijn eigen wereld: een stad ommuurd met kartonnen dozen. Een kartonnen doos had ik nodig om wat spullen naar Santiago te zenden. Het maakt mijn rugzak lichter en ik wordt een pak mobieler. Binnen enkele weken hoop ik zelf ook in Santiago aan te komen.


sneeuwballen met de duivel

Vandaag kwam ik aan in Oruro ( Bolivia). De vorige email stuurde ik uit de peruaanse junglestad Iquitos. Daar was het broeierig heet, hier op 4000 meter hoogte in het Boliviaanse hoogland is het ijzigkoud en regent het dat het geen naam meer heeft. Belgie is voor één keer heel dicht bij. Ik las op de vrtnieuws site dat de eerste sneeuw in de hoge venen gevallen is. sneeuwpret en wie weet weer een aangekondigde witte kerst...



Oruro is een stad van mijnwerkers en schoenlappers. Volgens mijn taxichauffeur is het de thuishaven van het hevigste carnaval ter wereld. "Mejor que Rio" vraag ik nog niet overtuigd. "Vriendje," zei hij, "carnaval is het feest van de duivel en de duivel woont hier in onze mijnen", en hij lachtte zijn gele tanden bloot. ik slikte: "verdorie, waarom rijdt u in klanten rond in een dergelijk maatpak?" hij bleef lachen. "waarom hebt u zo een rode ogen? waarom hoor ik een tikkend geluid wanneer u met uw voet de gas indrukt..." de man haalde me uit mijn gedachten. "Hier Alojomiento Copacabana... 4 Bolivianos por favor."

Moest ik benjamin in een of andere datingshow voor koppels die om een of andere dwaze reden samen op reis vertrekken, moeten vergelijken met een auto, dan zou ik voorzichtig argumenteren dat hij een diesel is. Zo een oude Ford uit een of ander legendarisch bouwjaar. Lichtbruin en met banden die met moeite door de keuring zouden geraken.

Vandaag nam ik in La Paz afscheid van mijn trouwe metgezel. Tijdens de eenzame busrit van La Paz naar Oruro tuurde ik over het Boliviaanse hoogland. Mijn gedachten waren somber net als de grijze regenwolken aan de duistere hemel. Neil Young zong "Long may you run", een ode aan zijn trouwe wagen. Shakey en zijn car, die twee hebben als je het lied mag geloven heel wat meegemaakt. Een kofferbak vol herinneringen. Ook ik heb een rugzak vol herinneringen aan de tijd samen met Benjamin. Ik draag dat zware ding graag mee de Andes over.

Maar daar zat ik dus. Alleen en een beetje verloren, te denken aan die gouwe ouwe Crollen, aan zijn redenaarstalent en aan zijn dromen. Ik dacht niet alleen aan benjamin. Ook aan het indigenavrouwtje dat ons gisteren met heel veel liefde de weg wees, aan de voetbalwedstrijd en aan een dolende Oostenrijker. Ik dacht dat mijn gedachten net zoals de wolken waren, en dat het in belgie bijna kerstmis is.

Naast me lag een Boliviaan. Hij had zijn benen tegen de mijne aangevleid. Ik had het wel degelijk gemerkt maar liet hem slapen. De bolivianen die ik tegen kwam waren van de vriendelijkste en meest open en oprecht geinteresseerde mensen die ik in dagelijkse ontmoetingen ooit ben tegengekomen. Ze werken hard maar zeker niet te veel. Bolivia staat te boek als een bedelaar slapend in een gouden bed. Ze lachen graag en vertellen honderduit. Als ze eindelijk slapen en de cocabladen uitgewerkt zijn, laat je ze beter even soezelen. Zeker wanneer jezelf ingedachten verzonken bent.

Ik herinnerde me vandaag een ondenkbaar lange busrit. Het was de rit van Huanaco naar Ayacucho. We doorkruisten de Peruaanse Sierra. Het landschap was groen en de akkers lagen vredig onder rood bruine dekens te slapen. Campesiños hadden zwaar beladen ezeltjes op sleeptouw. Herders hier en daar, willlekeurig door de wind over het gouden bed verspreid. Ze staan stil op het land en kijken vol verwondering naar hun grazende schapen of naar de passerende bus. Soms steek ik dan mijn hand op en wuif voorzichtig. Dan lachen ze, roepen iets dat ik niet liplezen kan en schudden ze het hoofd.

Even later tijdens dezelfde rit, stapte een vrouwtje de bus op. Naast me was plaats en ik nodigde haar vriendelijk uit. "dank je jongheid" zei ze. Ik wilde vragen waarom ze de jutte zak zo voorzichtig op haar schoot hield. De kalkoen in de zak had mijn gedachten gelezen, want nog voor ik het in mijn beste Spaans had gevraagd voelde ik de adem van het beest op mijn linkerarm. Kalkoenen ja, mijn buurvrouw had er een en ze lachtte. Binnen enkele maanden zal dat beest smaken. Ik lachtte. de kalkoen verstopte zich naarstig weer in de zak. Het arme beest, amper enkele maanden oud.

Maar goed. Ik keek dan maar naar buiten. De avondlucht werd vurig rood. In de verte graasden lama·s. Rood licht in de avond is de voorbode van een mooie dag. Het vrouwtje naast me had gezien dat ik de lama·s had opgemerkt. Ze gesticuleerde en legde me uit dat er lama·s, vicuña·s en alpaca·s bestaan. Het zijn broers en zussen van de kameel. Ze worden gegeten en van hun vacht wordt wol gemaakt.


Die dag luisterde ik ook naar mijn mp3 spelertje. Bright Eyes toen. Het liedje dat na Long may you run staat geprogrammeerd. Landlock Blues: if you walk away, i walk away... die dag zo herinner ik me, dacht ik aan de dag dat ik afscheid zou nemen van benjamin. Long did we run.

De reisweg sinds Iquitos was alsvolgt. Iquitos - zeven dagen op zo een boot uit het vorige verslag - Paculpa - Huanaco - Ayacucho - Cuzco - Ollantantambo - Aguas Calientes - Machu Picchu - Puno - Copacabana - Isla del Sol - La Paz - Tihuanaco - Oruro

Wat komen zal weet ik niet met zekerheid. Ik probeer naar Torotoro te reizen. Een Boliviaans Jurassic park, wandel er misschien in de voetsporen van dino·s, reis dan naar Potosi, ooit een stad zo groot als Parijs, maar vandaag helaas niet meer dan een dorp op een uitgeholde berg. Vooraleer ik Chile binnenrij in een pick-up, hou ik halt in de zoutwoestijnen van Uyuni.




een wansmakelijke grap van een schotse arbeider

Bijna een maand ben ik onderweg. Op 1 oktober landde ik in quito, de manische en schizofrene hoofdstad van ecuador. Het regende er pijpenstelen en het was er berekoud. Niets maar dan ook niets deed vermoeden dat ik in Zuid Amerika was geland. Moest er geen gele, rood met blauwe vlag gehangen hebben aan de balie, dan had ik gezworen ontwaakt te zijn in een wansmakelijke grap van een schotse arbeider. Maar stilaan keek ik door de vele clichees die blijkbaar talrijk aanwezig zijn in mijn bewustzijn heen.
Benjamin wachtte me op in de ontvangsthal van de luchthaven. Ik herkende hem meteen: zijn twee donker bruine bambieogen priemden door de hal en zijn bruinverbrande gezicht zat mooi verborgen achter een volle rosse baard.
Ik moest lachen en kreeg het meteen een beetje warmer. We groetten elkaar hartelijk en ik wist meteen dat ik mijn gedroomde reispartner had gevonden.
De eerste weken loodste benjamin, die al een maandje in de Sierra had gewerkt, me door het hectische maar immens mooie land. De spaanse taal, de mensen spreken hier Castellano, is me na een maandje reizen eindelijk goed aan het afgaan.

Conversaties blijven weliswaar heel oppervlakkig maar ik kan mijn plan trekken om aan eten te geraken of een slaapplaats te versieren. Hier en daar hoor ik mezelf een tot nu in den treure herhaald mopje vertellen.

Quito lieten we na drie dagen achter ons: we verlangden naar rust en stilte. Twee schaarse goederen in Latijns Amerika.
De mensen van hier kijken enigsins verbaasd wanneer we zeggen dat we horendol worden van al die piepende taxis, gillende salsa boxen, dampende uitlaten, kruisende vrouwen en bedelende kinderen.

Schematisch zag de route er toe nu toe als volgt uit:

Quito - Latacugna - quilotoa - pujilli - baños - riobamba - el tambo - cuenca - villcabamba - Loja - macara
we staken de grens tussen ecuador en peru over in macara
Macara - Chiclayo - Cajamarca - Tarapoto - Yurimaguas - Iquitos

De laatste week zaten we volop in de peruaanse jungle. In ecuador reisden we over het hoogland tussen de Oostelijke en de Westelijke andesruggen. Niet alleen klimatologisch is het verschil immens ook de mensen en de gewoontes zijn van een andere aard.

Er zijn momenten geweest die ik nooit meer zal vergeten. Dromen komen uit en in de schaarse contemplatieve momenten wordt er me af en toe ook eens iets duidelijk.

Een onvergetelijk moment wil ik jullie toevertrouwen: Drie dagen geleden stapten we aan boord van de Eduardo. De Eduardo is een roestige amazoneschuit; denk een beetje aan de ferrie op de schelde maar dan zonder de vlaggen, wimpels en tuinstoelen op het dek. De sociale segregatie aan boord is de normaalste zaak van de wereld.
( arme luizen worden tot het onderste dek veroordeeld, rijke mensen reizen comfortabeler op het bovendek )
Wie dit op voorhand weet heeft de keuze tussen een luxe driedaags verblijf op het bovendek
( luxe betekent dat je doordat je hoger zit meer wind vangt in je hangmat )
en dat de bar ( lees een schaars gevulde brusselse nachtwinkel ) op je verdieping te vinden is.
Dat we de keuze hadden tussen twee dekken kwamen we eigenlijk pas achteraf te weten.
Maar omdat we beneden echt dicht in contact kwamen met de plaatselijke bevolking, hebben we ons lot nooit beklaagd. De temperatuur steeg er nochtans vanaf 7 u s morgens vlot naar de 40 graden, als je wilde douchen dan was dat geen probleem. De rivier stond in rechtstreekse verbinding met afgaande op de smaak van het eten alle leidingen. De eerste nacht lagen we met 320 op het beneden dek.
Ik werd midden in de nacht wakker met kramp in mijn linker been, het andere been lag wat afwezig in de hangmat van mijn vriendelijke buurvrouw. Ze heeft het niet gemerkt of ze heeft het gewoon nooit tersprake gebracht. Leren slapen in een hangmat vroeg enige training en beheersing maar ik moet zeggen het went. De man schuin achter mij had last van opkomende slijmen. De hele nacht spuugde hij alles netjes op een hoopje. Hoe hij het deed weet ik niet maar oefening baarde kunst wist ik sinds kort.
Het was dankzij die man dat ik die nacht buiten op het dek ben gaan staan. Het broeierige, stinkende, snurkende en ongetwijfeld zeer onhygienische ruim veranderde eensklaps in de prachtigste sterrenhemel die ik ooit heb gezien. Het lijkt of er daar in de hemel een lichtstad bestaat groter nog dan brussel. Onder de melkweg vond ik eindelijk die rust waar ik wat geforceerd naar had lopen zoeken. Ineens werd ik me bewust van mijn eigen hartslag en de oneindig verscheiden insectenrijkdom die je vanop de oever hun mooiste liederen hoorde zingen en giftigste pijlen voelde lanceren. De geur van de Amazone vergeet ik nooit meer ze deed me denken aan de geur van de beek in vlierbeek bij leuven waar ik in mijn jonge jaren met Kristof een bootje doortrok. Het leek alsof de rivier altijd al in mijn herinnering aanwezig was geweest.
Daar op het dek stond ik dan, met mijn haren wapperend in de wind en met mijn neus vooruit als was ik een windhond die speurde naar vergeten momenten. Niet alleen het verleden passeerde in mijn gedachten ook de toekomst kreeg vorm in een stille kleurenfilm van gedachten en ideeen. Een uurtje moet ik daar gezeten hebben tot de kilte me weer naar mijn hangmat dwong. De motor sputterte en zuchtte, ik viel wiegend boven het speeksel van mijn buurman in een diepe slaap. Het eerste wat ik deed toen ik wakker werd was de dag bedanken voor de voorbije nacht. Dat klinkt niet echt logisch, maar misschien hadden die twee toch meer met elkaar te maken dan ik tot dan toe had gedacht.